‘Pwoper nawty firms’: The Real Football Factories

Voor een acteur die zoveel stoere personages heeft gespeeld, is Danny Dyer een angstig mens. Hij is bang voor de ingang van een pub, hij loopt angstig door de straten en doet het bijna in zijn broek in de buurt van een voetbalstadion. Deze wellicht onverwachte eigenschap van de stoere acteur wordt een ieder die de moeite neemt om Real Football Factories (sinds kort te zien op Netflix) te kijken al snel duidelijk.

The Real Football Factories is een 6-delige docuserie uit 2006 waarin Danny Dyer op ‘onderzoek’ uit gaat naar de echte Engelse hooligans. Hij is daar natuurlijk zeer geknipt voor, omdat hij in de cultfilm The Football Factory uit 2004 de Chelsea hooligan Tommy Johnson speelt, een film waar hij qua realisme erg onzeker over is, gezien de vele vragen erover aan de echte hooligans. In de eerste vijf afleveringen van de serie gaat Danny telkens naar een ander deel van Engeland en in de laatste aflevering reist hij af naar Duitsland om daar ‘onderzoek’ te doen in de aanloop naar het WK van 2006.

De primaire taak van Danny Dyer is een sfeer van gevaar en dreigend geweld creëren waar er geen is. Regelmatig keert het beeld terug dat Danny voor een pub staat waar hij heeft afgesproken met een ‘pwoper nawty firm’ (het woord ‘naughty’ ligt onze Danny sowieso voor in de mond) en dat hij staat te trillen op zijn benen. Wie weet wat hem te wachten staat achter die dreigende deuren. Nou, dat valt best mee. Meestal een groep mannen van tussen de 20 en 45 jaar die een beetje baldadig liedjes zingen en stoere verhalen vertellen over vroeger.

Ook zijn bezoeken aan wedstrijden zijn weinig spannend. De Steel City derby (Sheffield United vs. Sheffield Wednesday) verloopt zonder problemen dankzij kordaat optreden van de politie en ook de Old Firm (Glasgow Rangers vs. Celtic) is geweldloos. Door alle camera’s en een politiekorps dat geleerd heeft van het gewelddadige verleden, is de kans op grootschalige rellen nihil. Fijn voor de voetbalfans, maar vervelend als je een docu maakt over hooligans. Je krijgt als kijker dan ook snel de indruk dat Danny een jaar of 15 te laat is met deze docuserie.

De interviews met de ‘pwoper nawty lads’ bestaat vooral uit het ophalen van herinneringen en verspreiden van anekdotes, terecht door Tony Soprano al eens de laagste vorm van conversatie genoemd. De geïnterviewden zijn meestal gepensioneerde hooligans van in de veertig die met weemoed terug denken aan die goede, oude tijd toen je elkaar nog wezenloos kon meppen. Het is bijna schandalig dat politie en justitie zo effectief zijn in het bestrijden van hooliganisme. Danny bewijst hier en daar nog wel enige lippendienst aan het feit dat het zo fijn is dat er amper nog hooligans zijn, maar liever zit hij gewoon naast een gewelddadige idioot die trots vertelt dat hij vroeger in het weekend anderen in elkaar sloeg.

Hoewel links en rechts nog wel wat sociologen aan bod komen (vooral Garry Bushell, die opgevoerd wordt als achtereenvolgens manager van de Cockney Rejects, dan ‘cultural commentator’ en vervolgens als journalist), weigert de serie echt tot de kern van het hooliganisme door te dringen. De onderliggende vraag, wat drijft deze mannen om zo gewelddadig te zijn, wordt niet op bevredigende wijze beantwoord. Men blijft een beetje hangen in algemeenheden, zoals verwijzingen naar groepsdruk en ‘erbij willen horen’.

Desondanks is The Real Football Factories (ook integraal op YouTube te zien) een aardig kijkje in een cultuur die gelukkig erg ver van mij verwijderd is, vooral door mijn afkeer jegens het hebben van pijn. Danny Dyer doet zijn best om spanning te scheppen in een wereld die van zijn scherpste randjes is verlost door justitie en politie, maar slaagt hier niet in omdat ook Danny geen dood paard weer tot leven kan wekken. Al met al een aardige afleiding voor een regenachtige zondagmiddag tijdens de winterstop.

PS: De Schotse komiek Kevin Bridges heeft nog een hele leuke visie op deze docuserie:

Advertisements